De Landbouw Maatschappij van de familie Birnie. Een nieuw verdienmodel

Sjaak Onderdelinden

De familie Birnie drukte een stevig stempel op Deventer, bijvoorbeeld door het monumentale pand aan de Brink dat lange tijd haar residentie was. Daar zat serieuze rijkdom achter, en een flink deel daarvan was vergaard in Oost-Indië.

Die rijkdom was voornamelijk het werk van George Birnie, die al voor zijn twintigste Deventer verliet voor een koloniale opleiding in Delft, waarna hij in 1852 als ambtenaar van het Binnenlands Bestuur naar Indië vertrok. Hij zou zijn geboortestad pas in 1875 terugzien. Toen was hij al lang geen eenvoudig ambtenaar meer, maar een uiterst succesvol ondernemer.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging het hele kolonialisme op de schop. De VOC-uitbuiting was al in de eeuw daarvoor achterhaald, maar het Cultuurstelsel dat een groot deel van de negentiende eeuw bepaalde, was niet veel beter: lijfeigenschap, slavernij dus, en zeer zware belastingen, die de inlanders in armoede en hongersnood stortte, maar een paar ondernemers superrijk maakte. De onrust groeide, er zou in het laatste kwart van de eeuw nog een bloedige Atjeh-oorlog uit voortkomen. Maar de liberale ambtenaar George Birnie keek het hoofdschuddend aan, ontdekte de tabakshandel en werd zelfstandig ondernemer, zo schrijft historicus Clemens Hogenstijn. ‘In 1859 begon op zeer bescheiden schaal de aanleg van kweekbedden waaruit de bevolking haar plantmateriaal kon zoeken. Zij die daarvan gebruik maakten, verbonden zich de tabak volgens aanwijzing van de ondernemer te planten en te verzorgen en de bladeren slechts in zijn droogschuren te brengen tegen prijzen die voor de verschillende kwaliteiten tevoren overeengekomen waren’. Je kunt het liberalisering noemen, de slavernij verschoof naar loondienst, maar uitbuiting bleef het natuurlijk nog steeds.

George Birnie

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging het hele kolonialisme op de schop. De VOC-uitbuiting was al in de eeuw daarvoor achterhaald, maar het Cultuurstelsel dat een groot deel van de negentiende eeuw bepaalde, was niet veel beter: lijfeigenschap, slavernij dus, en zeer zware belastingen, die de inlanders in armoede en hongersnood stortte, maar een paar ondernemers superrijk maakte. De onrust groeide, er zou in het laatste kwart van de eeuw nog een bloedige Atjeh-oorlog uit voortkomen. Maar de liberale ambtenaar George Birnie keek het hoofdschuddend aan, ontdekte de tabakshandel en werd zelfstandig ondernemer, zo schrijft historicus Clemens Hogenstijn. ‘In 1859 begon op zeer bescheiden schaal de aanleg van kweekbedden waaruit de bevolking haar plantmateriaal kon zoeken. Zij die daarvan gebruik maakten, verbonden zich de tabak volgens aanwijzing van de ondernemer te planten en te verzorgen en de bladeren slechts in zijn droogschuren te brengen tegen prijzen die voor de verschillende kwaliteiten tevoren overeengekomen waren’. Je kunt het liberalisering noemen, de slavernij verschoof naar loondienst, maar uitbuiting bleef het natuurlijk nog steeds.

Kantoor van de landbouwonderneming van de Deventer familie Birnie op Oost-Java

Een aardig inkijkje bieden de brieven die zwager Coldewey, ook uit Deventer en zowel leidinggevend bij Bussinks Koekfabriek als bij Burgers Rijwielfabriek, bij zijn bezoek aan de Birnie-plantages in Djember, Oost-Java, naar het thuisfront stuurde. Over de kosten van het verdienmodel werd met enige afgunst de vergelijking Indië/Deventer-arbeiders gemaakt: ‘Vertel eens aan het personeel, dat een man hier werkt voor een kwartje per dag’. Veel duidelijker krijg je de uitbuiting niet gedemonstreerd. Voorlopig was de tevredenheid groot: ‘Het arbeidsintensieve proces van drogen, fermenteren en sorteren van tabak verschafte vrouwen en kinderen een goed loon voor licht werk’. Dat is wel een heel vriendelijke weergave van het verdienmodel, vrouwen- en kinderarbeid inbegrepen. Het bleef koloniale uitbuiting, vooral ook met een racistische hiërarchie. Een intelligente inlander die zich tot kantoorbediende had opgewerkt, werd toch wel strikt geacht zijn Europese superieur nooit en te nimmer tegen te spreken. Hogenstijn geeft een schrijnend voorbeeld van een dialoog tussen een heer en zijn knecht: ‘Nadat hij de wekelijkse kasstaat had opgemaakt, werd een inlandse kantoorbediende gevraagd: ’En, klopt het?’, waarop de brave man antwoordde: “Ja mijnheer, maar toch is er een verschil”’.

Een ander geliefd terrein voor slavernij en uitbuiting was de man/vrouw-verhouding. Witte dames gingen zelden mee naar de Oost, de oplossing ter plaatse was wat veelal een huishoudster genoemd werd, maar niets anders dan een seksslavin was. Onze christelijke kolonisten keken niet op een bastaard meer of minder, soms werden ze erkend en mochten bij terugkeer naar het moederland (!) mee, terwijl de echte moeders maar moesten zien hoe ze zich redden – zonder hun kinderen. Deze moreel en ethisch bedenkelijke njai-cultuur kende nogal wat varianten, bijvoorbeeld ook bij het kazerneleven van onze soldaten, maar de Birnie-variant was opvallend en moedgevend: een aantal Birnies trouwde met hun njai en nam haar zelfs mee naar Nederland. Dat gebeurde bijvoorbeeld met Rabina, de vrouw van George. Al in 1875 steenrijk teruggekeerd, beleefden ze de eeuwwisseling nog gezamenlijk in Deventer. Hoe ging dat? Werd Rabina, altijd ‘gekleed in haar traditionele sarong en kabaja’ geaccepteerd in Birnie-town Deventer? Nu, gediscrimineerd werd ze wel degelijk, vooral op straat. Maar ze wist zich te weren en legde haar belagers het zwijgen op met de vraag, of ze zich wel, net als zij zelf, dagelijks wasten. Want hoe het er destijds met de hygiëne van de Deventer straatjeugd voorstond, had Rabina natuurlijk allang gezien. En geroken.

Rabina Birnie, vrouw van George Birnie, op hoge leeftijd zittend in een rolstoel

Bronnen

Clemens Hogenstijn, ‘George Birnie (1831-1904). Zijn familie en haar cultuurondernemingen op Java’ in: Overijsselse Historische Bijdragen 136 (Zwolle, 2021) 83-99.