Johannes van den Bosch, kolonieman in de West en in de Oost

Sjaak Onderdelinden

 

Johannes van den Bosch (1780-1844) was een mannetjesputter. En dan bedoel ik niet het tiental kinderen dat hij bij twee echtgenotes en een onbekend aantal buitenechtelijke relaties verwekte. De kracht van zijn lendenen spiegelde zich in zijn werk-, denk- en daadkracht. Een voldragen militaire en bestuurlijke carrière, een steile klim van eenvoudig dokterszoon tot minister, van burger tot Graaf, van leerling-apotheker tot vertrouweling van Koning Willem I. Dat alles binnen vijfenzestig jaar.

Historica Angelie Sens heeft een uitvoerige biografie aan hem gewijd: De kolonieman. Johannes van den Bosch (1780-1844) – volksverheffer in naam van de koning. Uiterlijk en inhoudelijk een prachtboek, waarvan hier ruimschoots gebruik is gemaakt. Een studiehoofd was Van den Bosch niet. Opleidingen schoof hij al snel terzijde ten gunste van een militaire loopbaan. Die bracht hem, nog juist in de achttiende eeuw, voor het eerst naar Batavia, waar hij naast de militaire ook de koloniaal-bestuurlijke leerschool doorliep. Na twintig jaar keerde hij terug in Nederland, na een korte Engelse gevangenschap en met een inmiddels uitgebreid gezin. Hier vervolgde hij zijn militaire carrière, maar publiceerde hij ook over armoedebestrijding en over Nederland als koloniale grootmacht. Die twee componenten legden de grondslag voor zijn verdere ontwikkeling. Trouwens ook voor zijn contacten met Overijssel. Dat zat zo: Voor Van den Bosch was bestrijding van armoede een kwestie van opvoeding. Al die zwervers, dronkaards en criminelen verdienden een kans, en die kregen ze via de door hem opgerichte Maatschappij van Weldadigheid, zoals liefdadigheid toen genoemd werd. Om die kans te benutten moest er hard gewerkt worden in de zogeheten Koloniën van Weldadigheid, waarvan de meest bekenden in Frederiksoord, Willemsoord en Veenhuizen gebouwd werden, maar ook een bij Ommen: het voormalige fort de Ommerschans. Door die fortificatie kon hier een wat minder vrije vorm van kolonie gevestigd worden, met meer controle en werkdruk. Want niet iedere zwerver wilde in het gareel. Het basisprincipe van de Weldadigheid van Van den Bosch was: Voor wat hoort wat. Volksverheffing, maar niet zonder medewerking van de betrokkenen.

West-Indië

Na het succes van de Koloniën van Weldadigheid was de naam van Van den Bosch ook als bestuurder gevestigd en lagen koloniale taken in Oost en West min of meer als logische consequentie op hem te wachten. Eerst in Suriname en de Antillen. Als commissaris-generaal voor de West-Indische koloniën ontwikkelde Van den Bosch plannen voor verbetering van de landbouw en van de levensomstandigheden van de veelal in armoede levende bevolking, slaafgemaakten en landarbeiders. Als kind van de Verlichting wilde hij vrije werknemers want die presteerden beter. Er kwam een Proefkolonie van Weldadigheid, ‘Voorzorg’, waar slaafgemaakten opgevoed werden tot vrije arbeiders. Voor wat hoort wat, niks voor niks. Idealisme of profijtdenken? Of een combinatie? In ieder geval wekte hij in Paramaribo hevige weerstand, zodat er een veelzeggende beperking ingevoerd moest worden: Een vrijgemaakte moest tot tien jaar aan zijn slaven-werkplek gebonden blijven, voor hij werkelijk vrij was. En nog liet men na zijn vertrek de proefkolonie snel doodbloeden.

Johannes van den Bosch als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, met in zijn linkerhand een kaart van het eiland Java

Cultuurstelsel

Als volgend station was Oost-Indië aan de beurt, waar Van den Bosch tussen 1829 en 1834 zijn Surinaamse ervaringen inbracht in het Cultuurstelsel. Vrije landarbeiders, maar gebonden aan hun land en zuchtend onder torenhoge belastingen. De balans tussen idealistisch Verlichtingsdenken en kapitalistisch winstbejag sloeg nu wel erg door naar de geldzucht. Er was iemand, die dat graag zag: de Koning. Vandaar dat Van den Bosch zijn carrière mocht bekronen als Minister van Koloniën (1834-1839). We zijn nu in de nadagen van het absolutisme, waar de autocratische Willem I zich krampachtig aan vastklampte, zodat het vrijheidsdenken weinig kans meer maakte. De voorzichtige oppositie van Johannes van den Bosch tegen de slavernij kwam dan ook niet verder dan die beschamende termijn van tien jaar extra zwoegtijd vóór vrijheid. Niks voor niks. Van den Bosch mag geprezen worden voor zijn strijd in belangrijke sociale en koloniale kwesties – maar we hoeven niet te vergeten dat hij intussen ook prima voor zichzelf zorgde. Toen hij in 1844 overleed, gebeurde dat in zijn riante landgoed “Boschlust” in Den Haag. Die naam had hij zelf verzonnen. Want humor had hij ook.

Bronnen


Angelie Sens: De kolonieman. Johannes van den Bosch (1780-1844) – volksverheffer in naam van de koning. Meppel 2019.